pers > op'e planken > detail
Resênsy fan Henk van der Veer
Spanning achter de 'skûle'

Spanning achter de ‘skûle’

Joop Jukema (61), landbouwer uit Oosterbierum is één van die flappers die nog regelmatig in het veld zijn te vinden. Friesland Post mocht met Jukema en zijn leermeester Durk Posthumus (83) mee het veld in. Achter de skûle in de Skûlenburchster Polder onder ‘De bocht fan Molkwar’ aan de IJsselmeerkust.

Volgens Jukema is deze plek ideaal voor het vangen van kemphanen, omdat de vogels de zandbank in ‘De bocht fan Molkwar’ als slaapplek gebruiken. Meer dan 11.000 kemphanen op een kluitje, die in de ochtendschemering de polder intrekken om te foerageren. Om elf uur ’s morgens trekken de vogels zich weer terug voor een wasbeurt op de zandplaat in het IJsselmeer. ’s Middags tegen een uur of vier gaan de vogels dan andermaal de polder in, op zoek naar voedsel. Kemphanen hebben een vast dag-en nachtritme, weet Jukema.

Terwijl bouwboer Jukema ( ‘ poatjirpels is myn oare passy’) vertelt en theoretiseert over zijn fascinatie voor trekvogels en dan in het bijzonder de wilsters en kemphanen, gaat hij door met het klaarleggen van ‘it spul’. Met dat ‘spul’ wordt de hele vanginstallatie, allemaal meegenomen in een houten opbergkist ( ‘de fûgelbak’ ), van de vogelflappers bedoeld. De totale lengte van de vanginstallatie is ongeveer 90 meter. Hiervan wordt 15 meter in beslag genomen door het achterste deel van de staaldraad ( ‘it sim’), 25 meter door het net tussen de achterste en de voorste stok ( ‘loarmstok’) en 50 meter door de treklijn van de voorste stok tot en met het schuilzeiltje ( ‘de skûkel’. Jukema en Posthumus leggen het slagnet van ongeveer 3.5 bij 25 meter tussen de twee loarmstokken ( die zo’n drie meter lang zijn) met de lange zijde op de wind. Jukema legt uit waarom dat noodzakelijk is:
“Omdat de fûgels altyd tsjin de wyn delkomme en it net tidens it oerheljen de wyn meikrije moat is dat in fereaske.”
Nadat het wilsternet is neergelegd, zetten de beide mannen aan het ondereind van het net een klein aantal lokvogels ( ‘de stelten’) neer en aan de bovenzijde een groter aantal. Opvallend is dat ook de stelten met de kop in de wind staan. Wat ook meteen in het oog springt is de levende kemphaan, de lokvogel ( ‘de wiuwer’) die Jukema in een houten wilsterkooitje ( ‘it wilsterbakje’) heeft meegenomen. De lokvogel zit vast aan een lijn, die de flapper zo nu en dan even aantrekt. De gevangen kemphaan wordt een paar centimeters van zijn zetelomhoog getrokken en is bij het naar beneden vallen gedwongen om de vleugels een paar keer op en neer te slaan. “Sa tinke de fûgels dy’t oerfleane dat de wiuw krekt delkommen is. En dat it in gaadlik plak foar fretten is”, zo weet Jukema. Met elkaar neemt het opzetten, het klaarleggen van de vanginstallatie, waarbij de het net met houten pallen ( ‘de besetters’) in de grond wordt gedrukt, een klein uurtje in beslag. Omdat Jukema de vorige dag ook op deze plaats geflapt heeft, kost het deze keer een half uurtje. En als de wind nu eens onverhoeds draait?
‘Dan moat de hiele ynstallaazje ôfbrutsen wurde en op’e nij op’e wyn lein wurde. It is dan net oars.”
Het is opvallend dat in al die eeuwen dat er nu geflapt wordt de vangtechniek gelijk is gebleven. De skûle, de grootte van het net, de plaatsing van de stelten, de ligging van het touwwerk, bijna niets is er in al die jaren veranderd. Alleen het materiaal is wat duurzamer geworden. De netten zijn nu van kunststof en de treklijnen zijn niet meer van touw maar van staal.

Terwijl een matige noordenwind over de Skûlenburchster polder blaast, zitten wij weggedoken achter de skûle en wachten in spanning af op de dingen die komen gaan. Ondertussen vertelt de oude Durk Posthumus mooie verhalen over vroeger, toen wilsterflappen nog een vorm van broodwinning was. Posthumus, die in Húns molenaar van beroep was, bracht heel wat vogels vogels naar poelier De Jong in Leeuwarden. Die verkocht het gevogelte vooral aan Engeland.

Posthumus: “Simmerdeis wie ik by de boer en yn’e hjerst moatst ik tsien wike hekelje foar de polder, sa’n tolve kilometer. Dat moatst 15 oktober dien wêze en op 1 november begûn yn’e regel it wilsterfangen. Dat paste dan moai en ik hie in moaie byfertsjinste. De iene kear smiet in fûgel in gûne op, in oare kear twa kwartsjes. It wie mar krekt hoe’t de priis wie. It wetterskip betelle my 600 gûne yn’t jier, foar de fongen fûgels hie’k dochs gau sa’n 300 gûne. En dan mocht ik ek noch wolris achter de mollen en de murden( ‘bunzings’) oan. Ja, sa kamen wy troch de tiid.”

Stierven de gevangen wilsters een wrede dood? Posthumus trekt zijn schouders op. “Wreed, wat is wreed? Dat foel wol in bytsje ta”, laat hij weten. Joop Jukema, die met Theunis Piersma en Jan B. Hulscher het prachtige boek ‘Goudplevieren en wilsterflappers’, een standaardwerk over de eeuwenoude fascinatie voor trekvogels, schreef is duidelijker:

“ De gevangen vogels werden bij, of vlak na, het uithalen meteen gedood. De meest eenvoudige en effectieve methode is om met de hoektanden de achterzijde van het dunne schedeltje door te bijten. De wilster is dan op slag dood. Er waren ook wilsterflappers die de schedel tussen duim en wijsvinger drukten of de nekjes braken. Wilsterflappers die op oudere leeftijd hun tanden kwijtraakten en deze vervingen door een kunstgebit waren vaak niet meer in staat om in de schedel te bijten. In zo’n geval werd de scherpe prik gebruikt die achter in de kop werd gestoken.”

Wilsterflappen als manier van jagen is sinds 1979 verboden en de ongeveer 50 wilsterflappers die nu nog elk voor-en najaar in het noorden van Nederland achter de skûle zitten doen dat nog alleen ten behoeve van het ringonderzoek.

Nadat we al een paar uren zonder resultaat achter de skûle hebben gezeten, is er om een uur of halfzes plotseling één en al activiteit achter het scherm. Gespannen volgen Jukema en Posthumus de bewegingen van een vlucht kemphanen die overvliegt. Voordat we het in de gaten flapt het net en worden de eerste kemphanen gevangen. In draf gaat Jukema op de gevangen vogels af, haalt ze uit de mazen van het net en zet het hele spul weer opnieuw op. Het adembenemende schouwspel herhaalt zich nog een aantal keren en aan het einde van de middag.

Na een mobiel telefoontje, komt onderzoekster Yvonne Verkuil naar de polder om de vogels te ringen. De onderzoekster werkt met vier ringetjes van verschillende kleuren en een minuscuul vlaggetje, die ze steeds in verschillende samenstelling gebruikt. Op deze manier zijn er duizenden combinaties te vormen die de kemphanen individueel herkenbaar maken. De biologe neemt van de gevangen vogel ook nog een druppeltje bloed ( “een milliliter”) af. Aan de hand van het DNA hopen de onderzoekers van de vakgroep dierenecologie van de Rijksuniversiteit van Groningen meer te weten komen over de leefwijze van de kemphaan.

Terwijl Verkuil college geeft over het onderzoek, zitten Posthumus en Jukema al weer achter de skûle. De spanning valt van hun gezicht af te lezen. “Moatst yn in heale sekonde in beslissing nimme. It is altyd saak fan wa wint. Do of de fûgel”, verklaart Jukema.












































Friesland Post, 01.11.2004
 
 
<< terug