pers > op'e planken > detail
Resênsy fan Henk van der Veer
Wiebe Dooper: “ Der is mar ien hûn, de wetterhûn!”

SNEEK. Toen Wiebe Dooper uit Sneek als twaalfjarig jongen bij bloemist Jan Kroon in de Bloemstraat op het erf kwam, zag hij voor het eerst van zijn leven een Wetterhoun. De kop van de hond imponeerde de jonge Dooper metéén. Geen wonder, want deze wetterhûn was Berend fan de Snitsermar, een wetterhûnreu met een enorme uitstraling. Sinds die eerste kennismaking heeft de wetterhûn een speciaal plekje in Dooper zijn hart veroverd. Sterker nog, de Sneker historicus heeft onlangs een prachtig boek over deze eigenzinnige hondensoort geschreven, nadat hij eerder al publicaties op zijn naam had staan over de stabij en de Fryske hûnen.


Voor Dooper is er geen twijfel mogelijk als hij gevraagd wordt welke honden nu zijn voorkeur hebben, de wetterhûn of de stabij.

“ Der is mar ien hûn en dat is de wetterhûn! Dat is gewoon mijn favoriet. Een stabij vind ik een leuk ras, niet meer dan dat. De wetterhûn is een hond die tot op late leeftijd ondeugend blijft, zijn eigen gang gaat. Je kan hem goed alleen laten, hij is waaks en laat merken waar hij wel en geen zin in heeft. Als je het karakter van de hond een beetje kent, wil je nooit weer een ander ras. Dat vind ik en met mij vele anderen. In de praktijk blijkt de eigenaar van een stabij wel eens over te stappen naar een wetterhûn. Omgekeerd komt veel minder voor, vertelt Dooper.”

Over het verschil tussen een wetterhûn en een stabij onderwijst de Sneker hondenliefhebber:

“ Een stabij is een hond die een gestrekte rug heeft en daardoor optisch wat langer is. Hij heeft een hangende staart, een sluike vacht en is ongeveer 50 cm hoog. De wetterhûn is daarentegen een vierkant gebouwde hond, bezit een spiraalstaart, die als het ware op zijn rug ligt. Verder heeft de wetterhûn een krulharige vacht en is circa 60 cm hoog. Er is bovendien verschil in karakter. De wetterhûn is rustiger dan de stabij. Als je een wetterhûn met woorden bestraft dan kruipt hij weg en negeert de baas. Het is dus niet alleen een eigenzinnig maar ook gevoelig beest. De stabij kijkt, als hij verbaal gestraft wordt de baas verongelijkt aan en kruipt helemaal niet weg.”

In de titel van zijn kortgeleden verschenen boek over de wetterhûnen, heeft Dooper het ook al over een eigenzinnig fenomeen. Dooper verklaart waarom hij een wetterhûn eigenzinnig vindt.

“ De kenners zeggen dat de wetterhûn een eigenzinnig karakter heeft, en dat klopt volgens mij ook wel in grote lijnen. In plaats van een eigenzinnig fenomeen had ik ook een bijzonder fenomeen kunnen schrijven. Maar dat kun je ook van een abrikozenpoedel zeggen. Volgens mij past de kwalificatie ‘eigenzinnig’ helemaal bij de wettehûn. Twijfelaars moeten dan ook nooit een wetterhûn kopen, de wetterhûn is binnen de kring van hondenliefhebbers een geval apart. Je valt voor deze hond of niet. Het is beslist geen modehond. Heb je ooit een wetterhûn gezien die Max heet of Fikkie?”

Palinghandelaren en wetterhûnen

Omdat over de afkomst van de wetterhûn alleen maar vage mondelinge overleveringen bestonden heeft historicus Dooper getracht de herkomst van het ras te traceren. Na een systematisch historisch onderzoek, samen met Marjolein Roosendaal uit Ureterp is er inmiddels antwoord op die vraag. Wiebe Dooper:

“ De voorouders van de wetterhûn kwamen uit Engeland, de wetterhûn is vrijwel zeker een kruising van waterhonden en inheemse honden die in Engeland voorkwamen. Een geloofwaardige opvatting is dat de wetterhûn met palinghandelaren vanuit Engeland naar Nederland is gebracht. Trouwens vanuit de UK werd de wetterhûn ook geëxporteerd naar Zweden, waar familie van het Zweedse vorstenhuis met de wetterhûn op zwanenjacht ging. We hebben het dan over de achttiende eeuw. Rond 1900 stierf de wetterhûnachtige hond in Engeland uit. Door de geïsoleerde ligging van Friesland bleef de wetterhûn hier wel bestaan. Verder werd de wetterhûn in Friesland ook gebruikt voor de jacht op otters. Tot de Tweede Wereldoorlog kwam de otter nog in onze provincie voor. De wetterhûn wordt door sommigen nog altijd otterhûn genoemd.”

Dat de wetterhûn en de stabij specifieke Friese honden zijn is een stelling die Dooper net even te ver gaat.

“Geen enkele hond hoort bij Friesland. Dat is een te eenvoudige aanname. De ontwikkeling van hondenrassen is niet gebonden aan landsgrenzen. Je kunt wel stellen dat de wetterhûn en stabij op basis van het gegeven dat ze hier al eeuwenlang voorkomen deel uitmaken van de Friese volkscultuur. De honden werden gebruikt door de arme groepen van de bevolking. Met hulp van deze honden probeerden stropers en jagers een deel van hun karige inkomen aan te vullen door op wild te jagen. Tot tien jaar geleden zaten er in de Friese Woudstreek redelijk veel fokkers. Vaak waren het bouwvakkers wiens vaders in de crisisjaren van de vorige eeuw een stabij als mollenhond gebruikten om de nodige centen bijelkaar te schrapen.”

Toekomst

Wie een stabij of een wetterhûn wil aanschaffen, moet wel enig geduld betrachten. Voor een stabij moet een belangstellende ongeveer negen maanden wachten. Voor de wetterhûn is een groeiende interesse, die gelukkig langzaam gaat. Gelukkig? “ Ja, bij een zogenaamde fokexplosie roep je de problemen over het ras af. Dan ontstaan er allerlei gezondheidsklachten, en dat moeten we niet hebben”, zegt Dooper.
“ Om die reden moeten fokkers en nieuwelingen begrijpen dat strenge regels er niet zijn om mensen te pesten maar dat die strenge regelgeving echt noodzakelijk is om gezonde en goede honden voort te brengen”, vult Dooper nog eens extra aan.

Dat beginnende keurmeesters van de wetterhûn en stabij de boeken van Dooper als eindexamenstof bestuderen, is informatie die Dooper niet geeft, maar ondertussen algemeen bekend bij de kynologen.
Als ik de auteur van de hondenboeken hierover zijn mening vraag zegt Dooper dat hij dat opvallend vindt. “ Inderdaad opvallend. De boeken gaan in de eerste plaats over mensen, wat deden zij met de hond? En hoe zag de ontwikkeling eruit? Daarom heb ik in mijn boeken ook heel wat anekdotes opgenomen.”

Deze kostelijke anekdote bijvoorbeeld, opgenomen in ‘De wetterhoun, een eigenzinnig fenomeen’.

“ In de omtrek van de Smallingerlandse dorpen was in vroeger jaren eens een bunzingvanger actief. Hij gebruikte klemmen om de bunzingen te vangen. De bunzingvanger had wel altijd zijn jonge wetterhûn bij zich., die naast de fiets meeliep. De wetterhûn was beslist geen stoer exemplaar, want hij ging voor een gewone huiskat al op de loop. Op zekere dag haalde de bunzingvanger twee bunzingen uit zijn klemmen. Een goede vangst voor die dag. Hij ontmoette in het dorpscafé enkele bekenden, die in de veronderstelling waren dat de jonge wetterhûn de bunzingen onschadelijk hadden gemaakt. ‘Jij hebt een beste hond’ zo zeiden ze. Een tijdje later was de bunzingvanger weer succesvol, want hij ving vier bunzingen. De mannen in het café waren nu helemaal onder de indruk van de prestaties van de wetterhûn. ‘We willen je hond wel kopen’, klonk het. ‘Daar komt niets van in, zo’n hond als deze is er geen tweede’, zei de bunzingvanger. De bunzingvanger ving nog drie bunzingen en nam uit zijn hok nog drie mee. Met de zes bunzingen en zijn wetterhûn toog hij weer naar het café. De dorpelingen keken hun ogen uit. Dat was pas een hond met kwaliteiten. Omdat iedereen wist dat de pels van een bunzing veel waard was, bracht een goede bunzinghond een hoog bedrag op. Eén van de mannen bood maar liefst 250 gulden voor de wetterhûn en hij wilde direct betalen en de hond hebben. De bunzingvanger speelde het spel slim en ging schoorvoetend akkoord. Hij kwam zonder wetterhûn bij zijn vrouw thuis en beloofde haar nooit weer in het café te komen.”



Sneeker Nieuwsblad, 30.06.2005
 
 
<< terug