| |
 |
20 jannewary om 17:39 |
| |
Spleen

Ik sit mij foar ut fęnsterglas Ontiegelek te ferfelen Ik wú dat ik twee hondsjes was Dan kon ik tegare speule
Mar dat rymt nyt in ut Snekers!
Spleen
Ik zit mij voor het vensterglas onnoemlijk te vervelen. Ik wou dat ik twee hondjes was, dan kon ik samen spelen.
Dit gedichtje verscheen in 1954 in de verzamelbundel Ongerijmde rijmen, samengesteld door Michel van der Plas, Het is een bewerking van een gedichtje zonder titel dat Godfried Bomans in 1947 in De Linie had gepubliceerd.[1] Het grapje van de twee hondjes was in Europa algemeen bekend, zoals Jan Dirk Snel in 2013 aantoonde[2]. Friedrich Torberg gebruikte het als laatste regel in de Ballade der großen Müdigkeit (in 1938 geschreven, maar pas in 1985 voor het eerst gepubliceerd) en Sigismund Radecki nam het kindermopje op in de bundel Das ABC des Lachens (1953).
|
| |