dagboek > overzicht
Dagboek mei 2012Bekiek hele maand 
 
15 mei om 17:18
 
Rede rabijn Tamarah Benima





Op 6 mei hield rabijn Tamarah Benima un openingstoespraak bij de eksposisy Sporen van Joods leven in Sneek. Ik hew de rabijn toen fraagd ňf ik har rede ok mocht hewwe foar publikasy. Omdat sij earst un útwerkte ferzy fan de redefoering make wú, moest ik wachte tňt fandaach. Omdat ik nyt wil siteare, hew ik der foar koazen dizze rede in syn geheel hier te públisearen. Węrfoar dank an rabbe Benima! Ik hew hierfoar toestemming fan Benima kregen, mar ik wies der wel op dat ut kopyright bij har bliëft!



Sporen van Joods Leven in Sneek

6 mei 2012 Grote of Martini Kerk Sneek

Geachte dames en heren,

Dank voor de uitnodiging om hier te mogen spreken. Op deze voor Sneek zo bijzondere dag. Voordat ik begin wil ik eerst zeggen dat ik erg onder indruk ben van alles wat hier gemaakt is, de kunst van de leerlingen, de foto's, de gedichten en alle andere dingen. Wat ik ook wil zeggen is: als mijn lezing kritisch is, weet dan dat ik niet kritisch ben over u. Als ik mijn zorgen deel, weet dan dat mijn zorgen niet u gelden. Maar mijn kritische stem en zorgen wil ik met u delen. Dank dus voor de mogelijkheid hier te spreken. Op deze voor Snits bijzondere dag. Een dag die voor Sneek zowel feestelijk is, vanwege de start van allerlei activiteiten rondom het herinneren van de Joden uit deze omstreken. Een dag die ook pijn doet, omdat die activiteiten noodgedwongen gaan over een Joodse gemeenschap die er niet meer is. Op 21 maart 1936 werd het 100-jarig bestaan van de Sneker synagoge groots gevierd. 76 Jaar later is niet alleen de synagoge er niet meer, de mensen voor wie die synagoge een pleisterplaats was om het hart te verwarmen, zijn of vermoord, zodat er geen nakomelingen van hen hier kunnen zijn, of zij hebben het overleefd, en zijn weggetrokken. Een dag ook die bitter is, sinds tien jaar, omdat op 6 mei 2002 een politicus werd vermoord die, dat wordt zelden gezegd als het over hem gaat, veel respect had voor wat Joden in de staat wisten te verwezenlijken, en die een bijzonder oog had voor de nieuwe vormen van antisemitisme. En dan is het ook nog 6 mei, de dag nadat eerst op 4 mei alle doden uit de Tweede Wereldoorlog zijn herdacht, en 5 mei waarop we de bevrijding van tirannie en terreur hebben gevierd. 6 Mei wordt voor Sneek nooit meer een gewone dag.

Juist omdat u die zesde mei hebt gekozen, met alle commotie die er ook dit jaar weer is geweest rond het herdenken, wil ik iets meer zeggen over wat ik denk dat de lessen uit de Tweede Wereldoorlog en de Sjoa, de Holocaust, zouden moeten zijn. En een van de figuren die ik daarbij voor u wil neerzetten is dominee Van Riemsdijk. Over hem later meer.

Vraag aan een willekeurige Nederlander wat de les is die uit de Tweede Wereldoorlog moet worden getrokken en de kans is groot dat wordt geantwoord: dat niemand meer om zijn ras, of geloof, of overtuiging, of etniciteit, of kleur, of sekse, of seksuele geaardheid mag worden vervolgd of vermoord. Vraag hetzelfde over de Sjoa, de Holocaust, en het antwoord zal bijna hetzelfde zijn. Het antwoord is zelden, of te zelden, dat gezorgd moet worden dat Jóden niet vervolgd of vermoord mogen worden omdat zij Joden zijn. Het antwoord is zelden, te zelden, dat we waakzaam moeten zijn voor oude én nieuwe vormen van antisemitisme. Waarom maak ik het onderscheid? Waarom heb ik kritiek op die brede les: voorkomen dat niemand meer om zijn ras, of geloof, of overtuiging, of etniciteit, of kleur, of sekse, of seksuele geaardheid mag worden vervolgd of vermoord? Waarom voel ik me daar zo ongemakkelijk mee? Ben ik het er niet mee eens? Natuurlijk vind ik dat ieder mens zichzelf moet kunnen zijn, wie hij of zij ook is, welke cultuur of religie hij of zij ook heeft, of het een man of een vrouw is, elke mens van iedere kleur en van iedere seksuele voorkeur, moet zich beschermd weten door zijn of haar overheid, moet zich gewaardeerd weten door het volk waarvan hij of zij deel uit maakt, moet geen angst hebben voor het gepeupel. Maar dat is een kwestie van algemene ethiek. Dat is de les van het Oude Testament, we'ahavta le-reacha kamocha, 'Heb je naaste lief zoals je jezelf liefhebt', of - in een ietwat andere vertaling - 'Heb je naaste lief, want hij is zoals jij'. Beide zijn mooie, bijna onmogelijk na te leven vertalingen. In de iets minder mooie, dichter bij de oorspronkelijke betekenis liggende vertaling heet het: 'Behandel je naaste fatsoenlijk, met respect, met invoelingsvermogen, zoals je zelf met fatsoen, respect, inlevingsvermogen wilt worden behandeld'. Die ethische regel uit het Oude Testament, en de ethische regel dat hetzelfde geldt voor de behandeling van de vreemdeling die temidden van je woont, volstaan om ieder individu in zijn eigenheid tegemoet te treden, zonder haat, zonder moordlust. Daar heb je de Tweede Wereldoorlog niet voor nodig. En de Sjoa nog minder.

Welke lessen moeten we dan uit de Sjoa trekken? Na de Sjoa werd het kernuitspraak ‘Nooit meer Auschwitz’ gemunt. Oorspronkelijk betekende dat ‘nooit meer Jodenvervolging’. In de idee dat er geen genocides meer plaats zouden vinden, werd er niet gezegd ‘Nooit meer een Grote Jodenmoord’, de term die ik vaak gebruik in plaats van Sjoa, maar ‘Nooit meer Auschwitz’. Maar het ondenkbare gebeurde, er kwamen wel meer genocides, in Cambodja, in Vietnam, in Ruanda, in het oude Joegoslavië, in Tsjetsjenie, in Liberia; de rij van volkerenmoorden wordt langer en langer. Op dit moment worden hele stammen over de kling gejaagd in het mede door ons ‘bevrijde’ Libië. De noodzaak om de gruwel te blijven verwoorden heeft ertoe geleid dat ‘Nooit meer Auschwitz’ een brede betekenis heeft gekregen. Wat mij betreft vaak een te brede betekenis. Dit land, waarin de laatste decennia steeds meer gedenktekens zijn geplaatst in kleine steden en dorpen voor de Joden die er ooit woonden, in dit land waar mikwes, rituele baden, zijn opgeknapt, en waarin zelfs gerenoveerde synagogen weer in gebruik zijn genomen, in dit land waarin steeds meer struikelstenen worden gelegd en tentoonstellingen worden ingericht, worden ook de meest vreselijke dingen gezegd op zogeheten blogs, internetpagina’s waar mensen hun mening kunnen geven op actuele gebeurtenissen. Misschien heeft u die blogs wel eens gelezen. Zo niet… u wilt niet weten wat een nare dingen daar worden gezegd over Joden, over Israel, als er een joods of Israelisch onderwerp is, zoals militaire acties waar Israel bij betrokken is, of zoals bij het wetsontwerp tegen de manier van kosjer slachten zoals die is voorgeschreven door de joodse wet. Maar niet alleen daar worden teksten gebezigd waar mijn haren van te berge rijzen, en die mij, als Jodin, een onveilig gevoel geven in dit land. Een gerespecteerd schrijver als Leon Verdonschot kon in een column de term ‘Jankjoden’ gebruiken, zonder dat hij daarop werd afgerekend. En wat er in de voetbalstadions wordt uitgekreten aan enge spreekkoren, weet iedereen. Af en toe wordt er wat aan gedaan, maar Lex Immers van Ado Den Haag is, een paar dagen voor 4 en 5 mei, vrijgesproken van vervolging voor het schreeuwen van ‘We gaan op Jodenjacht’. De rechter zal wel een sluitend, juridisch betoog hebben waarom die vrijspraak onvermijdelijk was. Maar ik ben niet geďnteresseerd in de juridische fijnheden, ik voel mij onveilig, zowel door die leuzen als door die vrijspraak.
Dit zijn nare incidenten met uitspraken van autochtonen. Maar er zijn ook incidenten met allochtonen. Een kennis van mij zat in de Amsterdamse metro. Samen met een zwarte vriendin. Ze droeg een Davidster die in Afrika was gemaakt, met strootjes en schepjes, geen Davidster van goud. Toen de vriendin was uitgestapt, kwamen er twee mannen van achter in de twintig, Marokkaanse allochtonen waarschijnlijk, achter mijn kennis zitten. De ene man siste in haar nek: "We gaan je slachten, we gaan alle Joden slachten." "Nee," zijn de ander: "Alleen de Joden in Israel." Waarop de eerste herhaalde: "We gaan alle Joden slachten, we gaan alle Joden slachten." Mijn kennis heeft niet gereageerd, ze heeft alleen iets gedaan om zelf rustige te worden en te blijven. Zelf maakte ik het volgende mee in mijn straat. Daar staat een Humana-container voor kleren. Een allochtoon jongetje van een jaar of elf stond op de container te krassen. Ik zei: "Houd daar eens mee op. Waarom doe je dat?" "Ik ben Hitler," was zijn reactie. Ik heb geen idee het jong ermee bedoelde. Zeggen zijn ouders dat hij dat is? Is Hitler een held voor held? Ik heb er geen idee van. Ik veroordeel hem ook niet. Maar het is wel schrikken. Dit gebeurde niet lang geleden. Maar mijn angsten en zorgen begonnen al veel langer geleden. In 2000 werd er op de Opiniepagina van Trouw een artikel geplaatst waarin het Israëlische beleid werd vergeleken met de politiek van de nazi's in 1938. Het was geschreven door een joodse overlevende van Auschwitz.

Ik werkte toen nog als columniste voor Trouw. Ik belde de chef van de Opiniepagina en vroeg haar hoe ze in hemelsnaam dit stuk had kunnen plaatsen. Ze had het geplaatst omdat het een mening weergaf. Maar, zei ik, je plaatst toch niet elke mening, je kijkt toch eerst om wat voor mening het gaat. "Heb jij die associatie dan niet?" vroeg ze mij. "Over welke associatie heb je het?" "Met de concentratiekampen?" "Hoezo concentratiekampen?" wilde ik weten. "Nou, die kampen met dat prikkeldraad erboven." Het hoofd van de Opiniepagina van Trouw wist aan het begin van deze eeuw het onderscheid niet te maken tussen de nazi-kampen waar totaal onschuldige mensen werden vermoord en Israëlische gevangenissen waar Palestijnen vast zitten die moord en verderf op hun geweten hebben, of waarvan met redelijke zekerheid kan worden aangetoond dat zij terreur hebben willen plegen. De notie dat sommigen zelfs bij Trouw niet meer helder hebben wat er aan de hand was en is, heeft mijn zekerheden heel erg ondermijnd. Het heeft mijn angsten en zorgen zeer verergerd.

De verwarring en het gebrek aan inlevingsvermogen die zichtbaar werden bij het Hoofd van de Opiniepagina van Trouw, maar ook in de blogs, in de columns, in ingezonden brieven, zijn volgens mij de bittere vruchten van onderwijs dat te veel gefocust is geweest 'dode Joden'. Er is veel te weinig onderwijs geweest over het Jodendom als een beschaving van 3500 jaar oud. Als je al over de Sjoa wilt onderrichten heb je trouwens niet zo veel tijd nodig. Jaren geleden, toen ik nog hoofdredacteur was van het Nieuw Israëlitisch Weekblad werd ik gebeld door een mijnheer die vond dat het tijd was om de oorlog achter ons te laten. Wij, Joden, moesten gaan leven. Ik zei: "U heeft volkomen gelijk. Maar pakt u aub straks een vel papier, schrijf daarop al uw familieleden, en streep er vervolgens steeds vier van de vijf door. En dan belt u mij en vertelt mij hoe je dan verder moet leven. Een vriendin van mij heeft die oefening gedaan met een groep leraren die op cursus kwamen in het Joods Historisch Museum. Sommigen waren er niet toe in staat, zo geschokt waren ze. Maar alles was onmiddellijk duidelijk. Iemand anders die samen met mij een workshop over de Sjabbat deed vertelde over de 'vier van de vijf'-oefening aan zijn vijftien-jarige zoon. Die zweeg voor een moment en zei toen: "Dan is iedereen dood." Inderdaad, dan is iedereen dood. Want het gaat niet langer over familieleden. Het gold ook voor de buren, de vrienden, de leraren, je eerste liefje, de mensen met wie je sportte, werkte, bridgede. Je hele sociale netwerk werd vernietigd. Natuurlijk moet het daar over gaan bij herdenken en bij onderwijs. Maar ik zou ervoor pleiten dat je, voordat je de 'vier van de vijf'-oefening doet of laat doen, je eerst stort op informatieoverdracht over het Jodendom. Zoals gezegd, een beschaving van 3500 jaar, met literatuur, muziek, ethiek, architectuur, juridisch denken, ideeëngeschiedenis, sociale modellen voor alle fasen en behoeften van het leven. Stort je daar eerst in. Iemand die dat gedaan heeft is dominee Joseph van Riemsdijk. Sommigen van u zullen weten wie dat is, vooral sommigen van de dominees, maar velen van u zullen nooit van hem hebben gehoord. Joseph van Riemsdijk werd in Zwolle geboren, in een katholiek gezin, en werkte tien jaar in Amsterdam. Daar leerde hij Joden en doopsgezinden kennen. Hij ging theologie studeren en werd een doperse dominee. Hij was ontzettend onder de indruk van de rituelen en devotie in de synagogen die hij bezocht, eerst in Zwolle, daarna in Amsterdam, en later in Friesland. Hij stortte zich op het studeren van Hebreeuws, Talmoed, Misjna, Midrasj. De voorzanger van Zaandam, de vader van Jacob Israel de Haan, was met stomheid geslagen toen bleek dat Van Riemsdijk de Tora kon reciteren op iedere willekeurige plek waar hij werd open gerold. Om kleine stukken uit de Vijf Boeken van Mozes te reciteren moeten bijna alle Joden dagen, zo niet weken of maanden studeren. Maar hij kon het. Hij was ook vaak in de sjoels van Friesland, dus ook van Snits, te vinden, in de tijd dat hij dominee was in Sushuisterveen, Itens en Baard. En tijdens het al eerder genoemde honderd-jarig bestaan van de Sneekse synagoge sprak Van Riemsdijk tijdens de receptie. Ook die toespraak maakte een verpletterende indruk. Van Riemsdijk, die nog vlak voor zijn dood, in 1939, antisemitische schrijvers, ook binnen de Doopsgezinde Kerk, van repliek diende, is een lichtend voorbeeld, een rolmodel, van hoe je met het joodse erfgoed en zijn dragers kunt omgaan. Met het levende Jodendom, waaruit je vreugde en wijsheid kunt putten, en dat je - als het beschermd moet worden - weet te beschermen omdat je weet wat het waard is beschermd te worden. Een andere dominee, een lieve vriend die ook in het Noorden werkte, en als jonge dominee van voor in de twintig met een jonge vrouw en een heel jong kind, zeven Joden hielp te overleven door ze bij zijn gezin te laten onderduiken, kende ook de kracht van kennismaking met het Jodendom. Hij nam zijn catechisanten altijd me naar sjoel, ook toen hij naar Duitsland was verhuisd en daar als dominee werkte. "Als ieder kind voor de oorlog een keer in de synagoge was geweest, had het niet plaats gevonden," was zijn overtuiging.

Ik pleit dus voor een investering in het levende Jodendom en in het contact met levende Joden. Dat neemt niet weg dat ik buitengewoon veel waardering heb voor wat hier is gemaakt, door de leerlingen, de dichter, de fotograaf, door de samenstellers van de stadswandeling, de tentoonstellingen. Het is prachtig vormgegeven en het getuigt van vriendschap en liefde. A broederschap. Moge die broederscha groeien. Ken jehie ratson, Moge dat de wil van de Eeuwige zijn.

copyright: Rabbijn Tamarah Benima

Dit is een uitgewerkte versie van de redevoering die op 6 mei 2012 is uitgesproken. Voor het publiceren of citeren van fragmenten of van de hele rede moet toestemming worden gevraagd aan rabbijn Benima.